Afrikaanse wilde hond (Lycaon pictus)

De Afrikaanse wilde hond is een zeer opvallende verschijning, zowel in uiterlijk als de groepsgrootte waarmee hij rond trekt. Hij wordt beschouwd als de meest efficiënte grote jager van Afrika. Hoewel hij minder sterk is dan zijn rivalen, die ook in groepen opereren als leeuw en gevlekte hyena, is de onderlinge samenwerking veel beter. Een pack wilde honden behaalt de hoogste score wanneer het gaat om het aantal jachtpartijen die daadwerkelijk prooi opleveren.

Uiterlijk

De Afrikaanse hond wordt in het Engels wel 'Painted dog' (geverfde hond) genoemd, een titel die recht doet aan zijn uiterlijk wat bestaat uit vrij gevormde zwarte en witte strepen en vlekken op geelbruine ondergrond. En daarbij komt dat geen enkele hond gelijk is aan een ander. Iets wat de individuele herkenning erg vergemakkelijkt. Wetenschappers maken hier dankbaar gebruik van om individuen te onderscheiden zonder enige verstoring. Hij is, na de wolf, de grootste wilde hondachtige. Met een volwassen gewicht tussen de 17 en 36 kg. Een hoog, smal dier met een schouderhoogte van 75 cm en een lichaamslengte tussen 75 en 141 cm. De staart voegt daar nog 30 tot 45 cm aan toe. In Zuid-Afrika zijn de honden vaak groter dan in oost en west-afrika. Er is maar een gering verschil in grootte tussen mannelijke en vrouwelijke dieren, waarbij mannetjes enkele procenten groter zijn (maximaal 7%). De bijtkracht (uitgedrukt in een quotiënt wat de bijtkracht, relateert aan het eigen gewicht) van 142 is bij wilde honden het grootst van enig ander carnivoor zoogdier. (De Tasmaanse duivel, een buideldier, is de enige uitzondering) En overtreft die van wolf (136) en hyena(117).

Verspreiding



De wilde hond komt enkel verspreid over Afrika voor. Van Zuid-Afrika, noordwaarts langs de oost zijde van Afrika en dan boven de tropische oerwouden uitwaaierend naar het westen tot in de subsahara. Noord-Afrika heeft de soort niet echt bewoond, de meest noordelijke vindplaats wordt aangetroffen in het zuiden van Algerije. Nog geen honderd jaar geleden werd de populatie geschat op een half miljoen(500.000) honden verspreid over 39 landen in Afrika. Tegenwoordig zit de geschatte populatie met ca. 6000 dieren nog maar net boven de 1% van het oorspronkelijke aantal. Er bestaat nog veel onzekerheid, omdat het een soort is met heel grote ruimtelijke aanspraken en daarbij enorm mobiel. Toch wordt er gedacht dat nog slechts 22 landen en conservatieve schattingen gaan uit van slechts 14 landen die een wilde honden populatie huisvesten. Of de onderste hoek van Libië/Algerije daar nog bij hoort valt niet met zekerheid te zeggen. De politieke situatie maakt het niet makkelijk betrouwbare gegevens te verkrijgen. De soort kent naast vele gevaren wel de capaciteit om zich over grote afstanden te her vestigen en snel weer een populatie van enige omvang op te bouwen. Daar staat tegenover dat kleine populaties gevoelig zijn voor calamiteiten. Hondenziekten(virussen) als parvo of canine distemper, naast rabiës kunnen snel een lokaal uitsterven veroorzaken.

Geografische variatie

In een verspreidingsgebied wat zich uitstrekt over duizenden kilometers en verschillende klimaatzones, is het niet verwonderlijk dat er verschillen ontstaan. Men onderscheid bij de wilde hond, een vijftal ondersoorten, voor ons is de ondersoort Lycaon pictus saharicus, van belang.

Leefgebied of Habitat



Wilde honden bewonen een heel spectrum aan verschillende habitats, van kort grasland, savannes, struik-savannes, lichte bossen, semi-woestijnen en woestijngebergtes tot bergbossen. Ze trekken op ruime schaal door een groot gebied, op zoek naar prooi. Deze enorme ruimtelijke aanspraken, het betreft enkele tienduizenden vierkante kilometers, brengt ze gemakkelijk in contact met menselijke bewoning. Resulterend in een negatief effect. De hoogste dichtheden worden gehaald in beboste gebieden, wat samenhangt met het aantal beschikbare prooidieren. En de mogelijkheid om voor de jongen een geschikt hol te vinden of uit te graven.

Voedsel en jachttechniek

Afrikaanse wilde honden zijn generalisten, ze jagen voornamelijk op middelgrote antilopen. Soms wordt er gejaagd op grote prooien, naast grote antilopen ook op zebra en buffels of jonge giraffes. Ook wilde varkens vallen dikwijls ten prooi. Dergelijk succes lijkt samen te hangen met de 'cultuur' van het roedel. Kennelijk wordt jacht strategie en prooikeuze door gegeven binnen de gemeenschap van een roedel. Voor grote prooien komt het erg aan op de goed afgestemde samenwerking van de roedel leden, willen ze prooien die vele malen zwaarder zijn dan zijzelf kunnen bemachtigen. Prooien worden volgens een systeem en volgorde aangevallen. Waarbij eerst de staart gegrepen wordt om een prooi af te remmen en af te leiden. Vervolgens zet dikwijls een alpha mannetje de aanval op de neus van een prooi in. De overige dieren pakken de flanken. Ook kleine prooidieren, van haas tot hagedis, worden niet versmaad, hoewel die immer slechts een klein deel van het dieet uitmaken. De prooi wordt met alle leden van het roedel gedeeld, waarbij opvalt dat er nauwelijks agressie is. De meeste energie wordt gestoken in het bedelen bij elkaar. Een gewoonte die misschien wel verklaart waarom roedels zo succesvol een groot aantal jongen weet groot te brengen. De onderlinge zorg en toewijding is bijzonder groot te noemen en overtreft die van de veel beter bestudeerde wolf op veel aspecten.

Voortplanting

Wilde honden kunnen jongen krijgen verspreid over het jaar. Een worp kan - na een dracht van 69-72 dagen - 2 tot 19 pups omvatten, normaal circa 10. De tijd tussen twee geboorten is meestal een jaar tot 14 maanden. Maar het kan, met een half jaar ook veel korter zijn. Bijvoorbeeld bij het totale overlijden van een eerdere worp., De jongen komen in een hol ter wereld. Dit kan een zelf uitgegraven hol zijn, maar vaak wordt een bestaand hol (Aardvark) tot passende omvang uitgegraven.

Ontwikkeling van de jongen

De jongen worden na 10 weken gespeend en met 3 maanden verlaten de pups het hol en trekken met het roedel mee. Op een leeftijd van 8 tot 11 maanden zijn zij zelf in staat kleine prooien te doden, maar blijven nog afhankelijk voor hun voeding van het roedel. Een echte bijdrage beginnen ze te leveren op een leeftijd van 12-14 maanden. Seksueel volwassen worden ze op leeftijden variërend van één tot anderhalf jaar. Bij wilde honden verlaten de vrouwtjes het geboorte roedel, om zich aan te sluiten bij een roedel waar seksueel volwassen vrouwtjes ontbreken. Dit gebeurt op leeftijden van ruim een jaar tot tweeëneenhalf jaar oud. Nieuwe roedels kunnen ook ontstaan doordat de jongen van één sekse, samenvoegen met een groep van de andere sekse, die hun geboorte roedel ook hebben verlaten en samen een nieuw roedel vormen.

Gedrag en sociaal systeem



Wij spraken al enkele keren over een roedel, maar de organisatie bij wilde honden overtreft die van wolven op een aantal punten. Beide hebben onderlinge communicatie, met geur en geluid maar de methodiek van jagen is door de wilde honden geperfectioneerd. Het zijn meesters geworden in een zeer snelle, efficiënte jacht, waarbij de afzonderlijke leden elkaar goed aanvullen. Voor het prooidier betekent dit minder stress en een snellere dood. Voor de honden, die dikwijls hun prooi moeten afstaan aan sterkere concurrenten als hyena's en leeuwen, is het zaak zo snel en zo veel mogelijk te eten. De snelheid waarmee ze werken maakt het verschil uit in profijt van hun inspanning. Een ander belangrijke eigenschap is het feit dat meerdere dieren, vlees in de maag meenemen voor de jongen of zieke achterblijvers. Zodat ieder lid van het roedel baat heeft van de gemeenschap. De band tussen het alpha paar en de jongen is dan ook hecht en langdurig. Jacht brengt nu eenmaal risico's op verwonding met zich mee, maar door de mogelijkheid toch van voedsel voorzien te worden tijdens herstel, blijft een roedel gedurende langere perioden intact en blijft de kennis uit ervaring in de groep.

Mannetjes zijn de blijvers in wilde honden roedels, een atypisch gedrag onder sociale hondachtigen. De verhouding man : vrouw is dikwijls 2 : 1 onder wilde honden. De vrouwtjes zoeken mannen die het beste kunnen helpen bij het groot brengen van hun worp. En normaal krijgt enkel het dominante wijfje een worp in een roedel. Wat ook afwijkend is bij wilde honden dat enkele volwassen dieren achter blijven bij de jacht om te waken over de jongen. Dat kunnen ook volwassen mannen zijn. Terwijl de moeders mee jagen. Bij kleine roedels kan dat een nadelig effect op de jacht opbrengst hebben. Wilde honden hebben zowel onder mannen als vrouwen een hiërarchie. Terwijl jongere dieren voorrang verleent wordt bij de toegang tot voedsel. Bedelgedrag wordt hier beloond boven agressie. Dit voorkomt slachtoffers en zet zich zelfs door in de competitie om de voortplanting. Als een uitgebouwde vorm, waarbij dominantie vooral bepaald wordt door onderdanig gedrag van anderen. Zo lukt het zelfs om niet verwante nieuwkomers succesvol op te nemen in het roedel zonder bloed vergieten.

Natuurlijke vijanden

Natuurlijk vallen er wel eens een slachtoffer aan een cobra of krokodil, maar de meeste Wilde honden worden gedood door voedselconcurrenten. Waarbij ze vaak niet eens gegeten worden. Leeuwen en hyena's zijn daarvoor verantwoordelijk. Terwijl een groot roedel er in slaagt leeuwen of hyena's van hun prooi te verdrijven of zelfs te doden. Maar de groepsgrootte en efficiënte samenwerking is hier de bepalende factor.

Mens als grootste bedreiging


Foto: © Peter van der Leer

De echte bedreiging wordt vooral door de mens gevormd in vele, indirecte hoedanigheden. Het versnipperen van geschikt habitat, verkeersslachtoffers, overdracht van ziekten via huishonden, het omkomen in strikken van stropers, gezet voor illegaal 'bushmeat'. En het omkomen door het eten van vergiftigd aas uitgelegd in het kader van roofdier control programma's. Daarnaast kunnen er problemen ontstaan wanneer een pack wilde honden op huisdieren jaagt. De mens gerelateerde bedreigingen zijn legio. Een toenemende vraag naar wild, kan ook zijn voedselbasis gaan aantasten. Dit lijkt nog niet het grootste probleem, ook handel in wilde honden of huiden speelt nog geen grote rol. Toch kan zo iets plotseling ontstaan en op een zeldzame soort enorme impact hebben. Afrika kent al een groot leger aan professionele stropers, die bij uitsterven van de ene soort makkelijk zullen switchen naar een andere.

Status

Door verschillende initiatieven komen er wel beschermende maatregelen van de grond, maar de grote schaal waarop geopereerd moet worden om de wilde honden een natuurlijk leefgebied te bieden, bemoeilijkt het verkrijgen van resultaten aanzienlijk. De aantallen zijn verontrustend laag in diverse deelpopulaties. Al meer dan twintig jaar staat de soort als bedreigd genoteerd op de IUCN red list en het lukt maar niet daar verbetering in aan te brengen. Ondanks plaatselijke successen, zoals in Zimbabwe. Daar is de gehele problematiek in kaart is gebracht en wordt stelselmatig gewerkt aan zowel bescherming als educatie van de bevolking en de mogelijkheid voor de bevolking een centje mee te verdienen aan het bescherming programma. Dat levert naast draagvlak ook de economische basis voor acceptatie en verandering. Er kan niet snel en hard genoeg gewerkt worden om deze soort voor uitsterven te behoeden.
Eens te meer, daar het in sociaal opzicht een uniek dier is waarvan ook ecologisch nog veel te leren valt.



NABCS

Het NABCS zal alles wat mogelijk is ondersteunen, maar is onder de huidige onveilige omstandigheden niet in staat activiteiten te ontplooien in de regio waar de laatste wilde honden van Noord-Afrika al of niet meer voorkomen. Bij verandering van deze situatie zullen wij alert reageren.